Interview-Verzeichnis (alle)

03. Februar 2007 · Trouw

Hartmut Haenchen im Interview mit Peter van der Lint

Letzte Produktion von Hartmut Haenchen bei DNO

"Ik ga het publiek hier missen", zegt dirigent Hartmut Haenchen. Dat publiek draagt de van origine Oost-Duiste dirigent inmiddels op handen; Haenchen krijgt de laatste jaren meer ovaties dan welke zanger dan ook. "Ik ga het publiek niet missen vanwege het vele hoesten", legt hij lachend uit, "maar om de openheid, de nieuwsgierigheid van de mensen hier. Dat wij hier in het Muziektheater series van tien voorstellingen van hele moeilijke titels als ‚Lear‚ van Reimann of ‚Die Soldaten‚ van Zimmermann zo goed als helemaal uitverkopen, is ongekend. Daar kijkt men vanuit het buitenland jaloers naar. Het Nederlandse publiek heeft het vertrouwen gekregen, dat als De Nederlandse Opera een modern stuk doet, dat het dan goed is."
Het woord "vertrouwen" komt tijdens het gesprek met Haenchen regelmatig terug. Het klinkt veelbetekenend en beladen uit de mond van iemand die, ook in Amsterdam, tot vlak voor de val van de Berlijnse Muur in de gaten werd gehouden door de Stasi, de Staatssicherheitsdienst van de DDR. Haenchen kon de Stasi-rapportages later inzien en de laatste opmerking over hem dateert van 10 oktober 1989. "Vertrouwen is de basis van alles", zegt hij later, "je moet vertrouwen in elkaar hebben, anders kun je in dit lastige operavak weinig bereiken".
Gisteren begon Haenchen aan een serie voorstellingen van Wagners "Tannhäuser" zijn allerlaatste productie bij De Nederlandse Opera (DNO) in vaste dienst. Precies twintig jaar geleden (januari 1987) dirigeerde Haenchen zijn eerste voorstelling als muzikaal directeur: "Boris Godoenov" van Moessorgski. Aan de titulatuur veranderde gedurende die twintig jaar het een en ander. Muzikaal directeur ging over in chef-dirigent en werd met de komst van Edo de Waart als nieuwe chef omgezet in eerste gastdirigent. Maar ook aan die functie komt nu met deze "Tannhäuser" een einde.
"Ik kan niet in de toekomst kijken, en het is van zoveel factoren afhankelijk, maar er staat niets gepland bij de opera en ook niet bij het Nederlands Philharmonisch Orkest, waar ik zeventien jaar chef-dirigent was. Dat is goed zo. Je moet er een tijdje overheen laten gaan voor je weer terugkomt. Rust is goed. Je moet je opvolger niet voor de voeten lopen en hem de vrijheid laten."
Kun je ook ergens té lang blijven? Haenchen kijkt met gespeelde verbazing bij die vraag. "Alle grote orkesten ter wereld zijn groot geworden dankzij dirigenten die er heel lang waren. Ik ben heel ouderwets wat dit betreft, dat geef ik graag toe. Ik weet dat de basiskwaliteit van het gemiddelde orkest in vergelijking met vijftig jaar geleden enorm verbeterd is, maar waarom lijken orkesten, waar ook ter wereld, steeds meer op elkaar? Dat komt door het gebrek aan chef-dirigenten die ergens lang genoeg zijn om hun stempel op de klank te drukken. Als ik nu hoor dat chef-dirigenten veertien weken per seizoen bij een orkest zijn, dan noem ik dat, met alle respect, belachelijk! Ikzelf was hier zelfs als gastdirigent nog vierentwintig weken in touw. Veertien weken per seizoen? Dat levert niets op. In mijn tijd bij DNO werd er geen koorlid aangenomen zonder dat ik bij de auditie aanwezig was. Ik ben lastig, ik weet het. Ik bemoei me met alles. Als ik vind dat een decor de akoestiek belemmert, of dat een kostuum een zanger in de weg zit, dan zeg ik daar wat van. Problemen zijn er bijna altijd, maar die zijn er om op te lossen. Ik ga botsingen niet uit de weg.
"Een lange relatie tussen dirigent en orkest is net als een huwelijk. Er zijn fases dat je tijdelijk op elkaar uitgekeken raakt. En sommige chefs hebben maar een beperkt repertoire waardoor het gevaar van routine ontstaat. Maar je hebt tijd nodig om iets te kunnen opbouwen." En opbouwen, dat heeft Haenchen gedaan. Van een fusie-orkest maakte hij het Nederlands Phiharmonisch zoals we dat nu kennen. Een orkest dat op topniveau "Der Ring des Nibelungen" van Wagner kan spelen. De live-opnamen van de tweede "Ring"-reeks uit 2005, onlangs op cd verschenen, bewijzen het. Het is een project waarvoor Haenchen zich bijzonder ingespannen heeft. Vindt Haenchen dat er waardering genoeg is geweest voor zijn opbouwwerk?
Stilte. En dan: "Als ik nu terugkom zeggen mensen heel eerlijk tegen mij dat ze me gemist hebben en dat ze nú weten wat ze voorheen hadden. Het zou mooi geweest zijn als ik zo nu en dan wat meer steun had gekregen. Maar ik voel me nog steeds heel goed thuis hier; ik heb dat ook tegen het orkest gezegd. We hebben een sympathieke manier van werken, er heeft zich in mijn tijd een bepaalde stijl ontwikkeld. Die stijl leeft nog steeds, zit hier in het systeem. Het lukt na twintig jaar nog altijd om samen goede producties te maken."
Uit de intercom in Haenchens kamer klinken ineens harde elektronische klanken en getrommel. Op het podium van het Muziektheater repeteert een moderne dansgroep. "Tannhäuser‚ met synthesizer", grapt Haenchen terwijl hij de knop omdraait. Het lijkt hét moment om het onderwerp regie aan te snijden. Gaat de regie een nog belangrijker rol spelen in de opera? "Die ontwikkeling verontrust me wel, ja. Ik merk steeds vaker dat er jonge regisseurs komen, uit de filmwereld of van elders, die geen verstand hebben van muziek. En hoe je het ook wendt of keert: opera, dat is in de eerste plaats muziek. We zijn in deze kunstvorm niet moderner geworden om dilettanten aan het werk te laten. Al die onervarenheid kost zoveel strijd en vaak ook veel geld. De grootste problemen heb ik vooral met de ontwerpers, de designers. Tegen hen zeg ik vaak, als er weer een onmogelijk kostuum is ontworpen: "Een viool pak je toch ook niet in?" Ook hier draait het vaak om vertrouwen. Ik ben op bijna elke regie-repetitie, ook de niet-muzikale, en dat is in deze wereld ongebruikelijk. Zangers zijn me daar vaak dankbaar voor, maar regisseurs zijn wantrouwend, moeten er aan wennen. Ik stel inhoudelijke zaken aan de orde en voor sommigen is dat niet prettig. Anderen, zoals Pierre Audi, vinden dat juist wél fijn. Ik weet dat DNO geen eigen orkest heeft en toch is het belangrijk dat er hier een chef-dirigent is. Juist omdát er geen eigen orkest is, is het belangrijk. Er moet iemand zijn die invloed kan hebben op alles, op de casting, het koor, het orkest de opzet van een seizoen. Iemand die de muzikale staf in de hand houdt, die tegengas kan geven als regisseurs op hol slaan. Kortom: iemand die er altijd is. In mijn tijd als chef heb ik geen productie in dit huis niet gezien."
Waarom is Haenchen zo verknocht aan een zo moeilijke kunstvorm als opera? Een man van de rede en het onderzoek, die zich zo overgeeft aan de hectische emoties en overdreven spanningen van de opera? "De opera‚s die ik dirigeer, dat zijn meesterwerken. Dat is reden genoeg. Ik vind het spannend om aan zo‚n Gesamtkunstwerk iets bij te dragen, er invloed op te hebben. Opera kost veel tijd, maar ik benader een symfonie eigenlijk niet anders dan een opera. De vraag bij de opbouw van een interpretatie is altijd: wat kan iemand van vandaag van dit werk leren? Als dirigent móet ik dat zelf weten, maar het mag vervolgens de interpretatie niet in de weg zitten. Op de avond zelf, of het nou een opera of een symfonie is, denk ik niet na over de filosofie, de punten en de komma‚s. Op dat moment moet je alle kennis omzetten in emotie. Volgens mij heb ik dat hier in al die jaren wel voor elkaar gekregen."
Afgaande op de publieke reacties lijkt die veronderstelling juist. "Ja, ik ga het publiek missen. En Amsterdam natuurlijk. De stad met zijn bijzondere karakter en stijl van leven." Haenchen is niet alleen Nederlander geworden ˆ vorig jaar kwam zijn naturalisatie na een langdurig bureaucratisch proces rond ˆ maar ook "vernederlandst".