Nieuwblad van het Noorden,
29. March 2026
Een bulderend volkskoor in Matthäus Passion van NNO | recensie ★★★★
Het gaat er bij een uitvoering van de Matthäus Passion niet om de vraag in welke stijl ze wordt uitgevoerd en of die nu wel of niet barok of historisch geïnformeerd heet.
Belangrijker is of een uitvoering een eenheid is in stijl en expressie en vooral, of ze iets te zeggen heeft. Inmiddels zijn stijlopvattingen op elkaar gaan lijken en de Matthäus van gastdirigent Hartmut Haenchen en het Noord Nederlands Orkest (NNO) klinkt grotendeels redelijk vertrouwd. Wel was het tempo in Sind Blitze, sind Donner en O Mensch bewein aan de langzame kant, waardoor de bliksems niet meer zo schichten.
Opmerkelijke koralen
Dat Haenchen iets te zeggen heeft, bleek al vanaf het openingskoor. Bach is in de orkestpartijen spaarzaam met aanduidingen over harder of zachter spelen. Haenchen paste die overal gewetenvol toe; als een koor bij een solo-aria van Bach zacht moet zingen deed het dat ook echt. Hij voegde in de hele passie een aantal dynamische aanwijzingen toe; vaak werkte dat goed en gaf het de orkestpartijen meer reliëf. Soms werden al die nuances iets teveel van het goede, bijvoorbeeld bij de zweepslagen in het strijkorkest (dezelfde als in Händels Messiah) die heel zachtjes beginnen.
Haenchens koralen waren opmerkelijk: heel wisselend van tempo en dynamiek, soms met pauzes tussen de zinnen en soms niet. Zo gevarieerd hebben we ze al lang niet meer gehoord. Koor, orkest en dirigent zorgden er kortom samen voor dat over de betekenis van het verhaal geen twijfel bestond. Dat het bovendien vaak gewoon mooi klonk (ook de twee vioolsolo’s, de fluit, de hobo, de gamba) sprak eigenlijk vanzelf.
Dramatisch hoogtepunt
Het overtuigendste moment in de hele uitvoering zat in deel twee. Na een keihard Barrabam door het koor volgt een bulderend volkskoor en een koraal. Na de aria Aus Liebe komt het schreeuwende volkskoor nog eens terug. Daar vormden koor, orkest en sopraansoliste een bijna volmaakte eenheid in een dramatisch hoogtepunt.
In dit geheel hadden ook de solisten een essentiële bijdrage moeten leveren, maar dat lukte matig. De Evangelist heeft een soepele, ranke stem in alle regionen en droeg zijn tekst meestal met veel inzicht voor. Alleen zakte hij soms naar een bijna onhoorbaar fluisterregister.
De Jezus klonk welbeschouwd nogal verongelijkt en zijn tweede Eli was vocaal ronduit lelijk. Van de ariasolisten was de sopraan de beste. De alt had enkele mooie momenten, de tenor en bariton soms ook, maar met betere solisten zou deze Matthäus aanzienlijk overtuigender zijn geweest.
Paul Herruer