Interview index (all)

13. April 2023 · Volkskrant

‘Ik heb afscheid genomen van sommige stukken, omdat ze te zwaar zijn’

Zonder de Stasi was de Duitse dirigent Hartmut Haenchen wellicht niet naar Nederland gekomen, waar hij zijn stempel op het muziekleven drukte. Onlangs werd hij 80. ‘Ik ga door zolang ik nog iets vertellen kan met muziek.’

Nell Westerlaken 13 april 2023

Hartmut Haenchen: ‘Het is voor mij nog altijd een wonder dat ze me als 15-jarige het Kreuzkoor in Dresden lieten dirigeren.'Beeld Renée de Groot

De ovatie is wat geluwd, met soepele tred spurt de dirigent in het Amsterdamse Concertgebouw de trap op om te verdwijnen in de coulissen. Een trap van 32 treden, bekleed met rood tapijt. De zaal klapt de maestro terug, twee, drie keer. Even zo vaak daalt hij af in het applaus, een warme omhelzing van zijn publiek. Hartmut Haenchen heeft zojuist met het Nederlands Philharmonisch Orkest een formidabele Symfonie 7 van Bruckner neergezet. Een veteraan van wereldklasse, stevig verankerd in het Nederlandse muziekleven.

De dirigent is 80 jaar en oogt jongensachtig fit. Het dirigeren gaat nog goed, zegt hij, al laat zijn leeftijd zich gelden. Zijn agenda is vol, hij is net terug uit Venetië, uit Dresden, maar langzaam, en voor de buitenwereld haast onmerkbaar, heeft hij zijn repertoire wat gereduceerd.

‘Ik heb afscheid genomen van sommige stukken, omdat ze te zwaar zijn. Ik doe geen Frau ohne Schatten meer, geen Tristan en Isolde, geen Mahler 8: grote, lange stukkenIk twijfel over Elektra, die is weliswaar korter, maar er zit voor mij veel emotionele lading in, wat het op een andere manier zwaar maakt. Mijn vader is overleden twee uur voor mijn eerste Elektra-première, in Dresden. Het was ook de laatste opera die ik dirigeerde in Dresden voordat ik naar Amsterdam kwam, in 1986.’

‘De baas van muzikaal Nederland’ werd hij genoemd eind jaren tachtig. Toen de in Dresden geboren en getogen Haenchen zich vestigde in Amsterdam, drukte hij zijn stempel op het Nederlandse muziekleven: chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest (NedPho) en het Nederlands Kamerorkest, muzikaal directeur van De Nederlandse Opera.

Hartmut Haenchen: ‘Ik ben lang afgeluisterd. Nog altijd is telefoneren een probleem voor mij, zoals een ander claustrofobie ervaart.’Beeld Renée de Groot

Hij bouwde daarnaast een internationale reputatie op als gastdirigent, vooral met Duits repertoire, en gaf glans en diepgang aan het werk van Wagner, Bruckner, Brahms, Mahler en Strauss. Hartmut Haenchen oogstte applaus met alle grote orkesten, in alle grote operahuizen van de wereld. ‘Behalve in de Met – mijn debuut in New York werd afgezegd vanwege de pandemie, in 2020.’

In maart dit jaar benoemde het NedPHo hem daags voor zijn 80ste verjaardag tot eredirigent, na afloop van zijn achthonderdste uitvoering in het Concertgebouw.

‘Ik heb nóg een jubileum dit jaar’, zegt hij, ‘65 jaar geleden dirigeerde ik mijn allereerste concert, voor het Kreuzkoor in Dresden.’

Een jongen van 15 nog, aan de verkeerde kant van het IJzeren Gordijn. In zijn schaarse vrije tijd speelde hij met klasgenoten tussen de ruïnes van zijn Dresdner Kreuzschule, een internaat met een beroemd koor, het schoolgebouw was nog maar deels herrezen na de oorlog. ‘Het is voor mij nog altijd een wonder dat ze me zo jong al lieten dirigeren: de doorsnee leeftijd van de koorleden was 60, 65 jaar.’

Zijn liefde voor muziek werd gevoed door de schat aan bladmuziek op de zolder van zijn grootmoeder. ‘Ze was pianist, maar stopte ermee toen ze ging trouwen, wat toen gebruikelijk was in de betere kringen.’ Grootvader had een internationale rozen- en boomkwekerij, die later door zijn vader en daarna door zijn oudste broer is overgenomen. ‘Muziekliefhebbers, maar mijn vader wilde niet dat ik professioneel musicus werd; ik speelde blokfluit, piano, orgel. Maar ik was koppig en heb doorgezet.’

Met die koppigheid kreeg ook het beruchte Ministerium für Staatssicherheit in het totalitaire Oost-Duitsland (DDR) te maken, de Stasi, die geen enkel dissident geluid tolereerde, veronderstelde tegenstanders stelselmatig afluisterde en intimideerde en critici bij de minste aanleiding opsloot of anderszins strafte. Nog voordat Haenchen werd toegelaten op het conservatorium, had hij het al aan de stok met deze geheime dienst, die hem tot aan de val van de Berlijnse Muur in 1989 zou achtervolgen, zelfs toen hij in Amsterdam woonde.

‘Ik was 16 en had voor mijn koor gummi-letters gekocht waarmee je handmatig affiches kon drukken. Daarmee heb ik ook een pamflet gedrukt met een oproep de zogenaamde DDR-verkiezingen te boycotten. Natuurlijk waren dat geen vrije verkiezingen. Als ze hadden kunnen bewijzen dat ik achter dat affiche zat, was ik geen dirigent geworden, dan was ik meteen naar de gevangenis gestuurd.’

Geregeld werd Haenchen getroffen door sancties. Omdat hij studenten opriep in een kerk te musiceren, omdat hij niet de voorgeschreven uitvoeringen volgde ‘die de arbeidersklasse begrijpen kan’, afzag van de officiële DDR-vertaling van een stuk, enzovoorts. Twee keer werd hij gedwongen tewerkgesteld in een fabriek.

Maar de geschiedenis is niet zwart-wit, benadrukt hij. ‘Ik ben eens gered door een Stasi-medewerker, een docent van mij. Hij had de opdracht een sigarettenpeuk van mij te pakken voor een speekseltest. Hij heeft gezegd dat ik niet rookte, terwijl ik dat indertijd wel deed. Het klinkt zo klein, maar eigenlijk heeft die man mijn leven gered.’

De Stasi ten spijt wist hij naam te maken, binnen en buiten de DDR, tot hij werd getroffen door een Berufsverbot. ‘In 1978 was ik chef-dirigent in Schwerin en weigerde ik op een feestconcert van de Partij hun programma uit te voeren. Ze hadden een deel van een symfonie geschrapt waardoor het hele stuk nergens meer op sloeg. De centrale in Berlijn gaf opdracht: Haenchen geen werk meer geven.’ Het was schluss. Zijn paspoort werd ingenomen.

‘Dat was heftig, maar in het ongeluk had ik weer geluk: Hans Pischner, de intendant van de Berliner Staatsoper, en dirigent Kurt Masur van het Gewandhausorchester in Leipzig hebben me wat werk gegeven, zodat ik aan de slag kon blijven.’

Met een beetje goede wil zou je kunnen zeggen dat Nederland de komst van Haenchen te danken had aan de Stasi, die de muzikale lastpak na verloop van tijd wilde lozen. Via een list wist hij met zijn gezin naar Amsterdam te komen, nadat NedPho-directeur Jan Willem Loot hem had uitgenodigd. ‘Het gelukkige toeval wilde dat dirigent Hans Vonk in Dresden kwam werken. Onder het mom van culturele uitwisseling kon de DDR mij zonder gezichtsverlies laten gaan.’

Later, toen hij zijn Stasi-dossier kon inzien, ontdekte hij dat hij tot 10 oktober 1989 in Amsterdam werd bespioneerd, ‘al was er niets anders te melden dan het tijdstip waarop ik de tram had genomen’. Het kroop niettemin in hem. ‘Ik ben lang afgeluisterd. Nog altijd is telefoneren een probleem voor mij, zoals een ander claustrofobie ervaart. Dat ben ik nooit kwijtgeraakt. Ik schrijf liever dan dat ik bel.’

Ondanks de artistieke vrijheid was Nederland nog altijd geen walhalla voor een dirigent uit de DDR. Amsterdam zuchtte onder woningnood. ‘Wie wil dan een musicus met een vleugel, een Duitser die Engels noch Nederlands spreekt, en een ‘communist’ uit de DDR ook nog eens? Een huurwoning kon ik wel vergeten.’

Hij had geen cent te makken. ‘Ik moest 20 procent van mijn salaris afdragen aan de DDR, 10 procent aan mijn agentschap en heel veel belasting. Niemand kan het zich nu voorstellen voor iemand in mijn positie, maar we konden nauwelijks rondkomen.’

Hartmut Haenchen: ‘Mijn idee van een operahuis: het is goed gestructureerd, goed gepland, met een duidelijke visie. Pierre Audi werkte in mijn ogen nogal chaotisch.’

Dankzij financiële hulp van vrienden en een gelukkig toeval kon hij een huis kopen in Amsterdam-Zuid. Gezellig was anders. Het duurde niet lang of er verschenen anti-Duitse teksten op zijn garagedeur. Maar ook hier bleek niet alles niet zwart-wit. ‘Naast ons woonde Simon Levie, de directeur van het Rijksmuseum, en zijn gezin. Heel lieve mensen, met wie we bevriend zijn geraakt. Een groot geluk. Terwijl Simon een kamp had overleefd.’

Ook professioneel werden niet alle lopers uitgerold voor Haenchen. Het NedPho was net gefuseerd met twee andere orkesten en hij moest er een eenheid van zien te smeden. De gedisciplineerde, tot in de puntjes georganiseerde musicus uit het hiërarchische Duitsland kwam terecht in het egalitaire, soms licht-anarchistische Nederlandse werkklimaat.

Zware tijd. ‘Ik moest om te beginnen dertig man ontslaan – daar maak je geen vrienden mee. Intensieve repetities met kleine groepen. Ontzettend véél repetities ook.’ En ja, dat Duitse. ‘Ik was streng. Ik kon heel boos worden. Tot iemand tegen me zei: dat kun je niet doen in Nederland, schreeuwen in het Duits. Ik heb geprobeerd mezelf te corrigeren.’ Lachend: ‘Inmiddels ben ik wel wat vernederlandst.’

‘Ik móést wel een soort politieman zijn om het orkest überhaupt bij elkaar te houden. Nu weet ik waar ik het orkest kan loslaten, en minder strak hoef te leiden, maar 38 jaar geleden waren er weinig van zulke momenten.’ Hij werkte even intensief aan organisatie en structuur als aan de klank. ‘Ik wilde een niet te vette, transparante orkestklank. Dat is me aardig gelukt, denk ik.’ Dit veranderde niet onder zijn opvolgers, zegt Haenchen die in 2002 bij het NedPho vertrok als vaste dirigent. Als hij terugkomt voor een gastdirectie voelt het als thuiskomen.

Hartmut Haenchen: ‘Ik heb in mijn leven meer dan vijfduizend zangers op auditie gehad. Dat zie ik een operadirigent nu niet meer doen.’

Was hijzelf nog maar net begonnen als dirigent bij de opera, in 1988 werd de Frans-Libanese Pierre Audi benoemd tot artistiek directeur en regisseur bij de Nederlandse opera. De twee werden geacht gezamenlijk de opera nieuw leven in te blazen, artistiek en muzikaal. De instinctmatig werkende Libanees en de gründlich georganiseerde Duitser: ze hadden niet eens een gemeenschappelijke taal. ‘Ik sprak nog nauwelijks Engels. Hadden we niet geleerd in de DDR.’

‘Nee, het boterde niet. Mijn idee van een operahuis: het is goed gestructureerd, goed gepland, met een duidelijke visie. Pierre werkte in mijn ogen nogal chaotisch.’ Het heeft indertijd vaak geknetterd in het gloednieuwe Muziektheater aan de Amstel, ‘er is nog een mediator aan te pas gekomen’, maar allengs kregen de mannen begrip voor elkaar, eerst als kunstenaar. ‘We zijn van lieverlee persoonlijk bevriend geraakt.’ In 1999 maakten ze samen Wagners operacyclus Der Ring des Nibelungen, die tot op dag van vandaag wordt gezien als een van de beste ensceneringen aller tijden.

Ook hier was er veel werk achter de schermen, ‘buitenmuzikaal werk’, zoals hij het noemt: organiseren, structureren, opbouwen, bestendigen. ‘Het operakoor heb ik vergroot van 42 naar 66 zangers. Ik heb in mijn leven meer dan vijfduizend zangers op auditie gehad. Dat zie ik een operadirigent nu niet meer doen.’

Een van zijn voormalige assistenten suggereerde onlangs in Trouw dat hij door dat harde werken geen tijd had om zich muzikaal te ontwikkelen tot chef-dirigent voor de allergrootste orkesten. ‘Dat is ook zo’, zegt hij, ‘maar dat is een keuze. Natuurlijk, als een Concertgebouworkest, een Berliner of een Wiener Philharmoniker je vraagt als chef-dirigent, zeg je geen nee. Maar als ik iets goed wil doen, is het alles of niets, en dit is er dan de consequentie van.’

Doet de status van een orkest er voor hem minder toe dan de muzikale samenwerking en de mogelijkheden? Sinds dit seizoen is hij vaste gastdirigent bij het Noord Nederlands Orkest. ‘Ik vind het heerlijk en ben ook echt verbaasd dat mensen hun hoofd schudden over het feit dat ik dat contract heb getekend. Ik was heel aangenaam verrast door de kwaliteit en mentaliteit van dat orkest: erg positief en veel ambitie. Daar werk ik graag mee.’

Het woord pensioen kent hij niet. ‘Ik ga door zolang ik nog iets met muziek vertellen kan.’ Zijn muzikale genen heeft hij doorgegeven. ‘Mijn zoons zijn niet professioneel verdergegaan in de muziek, ze wilden niet in mijn schaduw staan. Maar ik heb getalenteerde kleinkinderen. Met twee van hen, een klarinettist en een cellist, heb ik in Nederland gewerkt.’

In mei reist hij met het NedPho naar het Kulturpalast in zijn Dresden voor een verjaardagsconcert. In het publiek zal ook een 15-jarige leerling van de Kreuzschule aanwezig zijn. Met bescheiden trots: ‘Hij speelt orgel, componeert, improviseert, schrijft. Ongelooflijk goed. Het lijkt of hij mij spiegelt: hij is nu gevraagd repetities te leiden van het Kreuzkoor.’ Ludwig Haenchen, kleinzoon van.

 

<a href="https://www.volkskrant.nl/a-b35bcfce" target="_blank">Ganzes Interview</a>